EEN ARTIKEL UIT BW nr. 122

De meisjes Prinsen, van Riga tot Brabant

Het is al weer enige tijd geleden dat ik het in 2014 geschreven boekje bij het Veenkoloniaal Museum ontving. Helaas ben ik door de twee jaar durende corona periode de gegevens kwijt geraakt. Het mailadres kan ik niet meer terug halen, maar het verhaal is zeker interessant om iets meer te weten te komen over Nederlanders die in het interbellum in Letland verbleven. Vaak waren dit houthandelaren en hun agenten. Het verhaal is van Resi Prinsen. Ze is op 14 maart 1928 in Rīga geboren, en van haar oudere zuster Elli die op 26 juni 1925 in Rīga het levenslicht zag.

Na de val van de muur ontstond bij Ilva, het nichtje van Resi en de dochter van Elli meer en meer belangstelling voor het verhaal van haar tante en moeder, en hun grootvader en moeder die in het interbellum naar Rīga verhuisden. Grootvader was Jan Prinsen, op 28 maart 1894 geboren en in Brabant opgegroeid. Na de Eerste Wereldoorlog ging hij werken bij de Firma Münninghoff te Londen. Deze firma stopte, maar hij had een broer in Riga waar Prinsen kon gaan werken.

Samen met zijn echtgenote Hendrica de Jong, verhuisden ze naar Rīga. Voor dit bedrijf bezocht hij regelmatig de houtbeurs te Rīga. Toch beviel het werk bij de firma Münninghoff niet en maakte Jan Prinsen een overstap naar het bedrijf van Anton Heymerink waar hij procuratiehouder kon worden. Omdat de familie katholiek was gingen ze vooral om met Duitse Balten. Beide zusjes herinneren zich de tijd in Letland als een zeer leuke en huislijke tijd.

Resi speelde veel met haar buurmeisje Ursula Klawe. Ze gingen in de winter ook vaak samen skiën en rodelen. Klawe was directeur van een technische fabriek. Op zaterdagen gingen de families vaak uit eten aan de Esplanade.

De families woonden in een groot houten huis. Dit huis aan de Kapseļu iela 12 bestaat nog steeds en is de afgelopen jaren zelfs gerestaureerd. Op de Letse marktplaats vond ik zelfs een prentbriefkaart van deze woning. Er waren volgens Resi enkele winkels en een apotheek. Naast Letten woonden er nogal wat buitenlanders. Een paar huizen verderop woonde de Duits Baltische familie Schulinus. Ook deze hadden twee kinderen. In de wijk Hagensberg (Āgenkalns) stond wel een school, maar toch gingen ze naar de katholieke Duitse school nummer 17 in de binnenstad. Ze reisden dan per bus en gingen met een veerbootje de Daugava over.

Op haar 80ste verjaardag kreeg Resi van haar zus Elli een reis naar Riga aangeboden en ze was blij verrast dat het huis er nog stond. Elli was er al in 1988 samen met haar dochter Ilva geweest. Het grappige is dat ze eerst aan Ilva vertelde dat ze geen Lets meer kon, maar toen ze er eenmaal waren, volop met de huidige bewoners in Lets spraken. Op de bovenverdieping, waar ze hadden gewoond, waren nu vijf families onder gebracht.

Kortom, het huis dat eerst vier families had gehuisvest, was in 1988 overvol. Het andere huis waar ze slechts een jaar verbleven was er ook nog. Toen nog in goede staat en nu is er een sloopvergunning voor de bouw van appartementen.

Het eerste huis is een groot houten huis met van oorsprong vier appartementen. Een grote en brede trap liep naar de bovenverdieping. De Prinsen woonden op de bovenverdieping evenals de huishoudster Selma Ozoliņš. Haar kamer lag direct achter de keuken. Dit was in bijna alle Letse appartementen het geval. De eigenaar, de familie Meijer, kwam uit Zwitserland en die woonden links op de begane grond. Op de begane grond woonde destijds ook een Letse kolonel Nikolajs Bulmanis (1900-1990). Het gezin had twee kinderen waar Elli en Resi regelmatig mee speelden. Hij vluchtte evenals de Prinsen door de komst van de Russen het land uit en verhuisde naar Canada. De familie Bulmanis bezocht hen nog diverse keren in Nederland.

In de tuin woonde de dvornik, een soort huisbewaarder. De dvornik veegde het terrein aan, hield de trap schoon en zorgde voor voldoende brandhout. Zijn belangrijkste taak was het in de winter sneeuwvrij houden van de stoep voor het huis. Het huis werd verwarmd door drie centrale houtkachels die meerdere ruimten konden verwarmen. 's Morgens kwam Selma met een mand hout binnen en stookte de kachel via de kinderkamers op.

Elli herinnert zich nog dat de dvornik ook altijd een emmer water achter de Kerstboom zette om brand te voorkomen. De kerstboom was geen den of spar, maar bestond uit gestapelde houten kruisen die naar boven toe steeds kleiner werden.

Selma speelde voor de kinderen een belangrijke rol. Tijdens de zomervakantie mochten ze altijd bij een oom van haar logeren. Elli en Resi noemden hem Onkolits, oftwel oom. Tijdens de Eerste Wereldoorlog had hij in Rusland vast gezeten. Toen hij in 1924 terug kwam naar Letland bleek zijn vrouw hertrouwd. Zijn zoon bleef bij zijn moeder en zo bleef hij alleen. Onkolits was bezig om een nieuw huis te bouwen, een klein huisje aan een beekje op zijn erf en hier werd eten gekookt. Van Onkolits en Selma leerden ze Lets. Onkolits was zeer trots op zijn taal en las graag voor uit Letse kinderboeken. Elli en Resi logeerden er zomers de volle drie maanden.

Het enige huis dat in de buurt stond was het boerderijtje van Lucia, de zus van Selma, en haar man Kārlis. Kārlis was communist en daar was Onkolits op tegen. Toch gaf dit meningsverschil voor de kinderen geen probleem.

Boodschappen deden ze een keer per week in Vecmuiza, het dichtbij zijnde dorp dat per bus bereikbaar was. Het openbaar vervoer was volgens Resi altijd perfect. De sporen van de Eerste Wereldoorlog waren nog goed zichtbar, want in de bossen lagen nog steeds de loopgraven. Elli herinnert zich dat de borden waarvan ze aten, gewoon in de beek werden schoon gespoeld. In de bsosen moesten ze als kinderen altijd met dichte schoenen open vanwege de adders. Onkolits bezat twee paarden, Annin en Trskajs. Op 24 juni werd in het dorpje het midzomerfeest Jāņi gevierd met eten, drinken, dansen en vuurwerk. Elli kreeg in 1940 nog een brief van Onkolits.

Hij was met zijn zoon naar Berlijn gevlucht. Beide zussen hebben daarna niets meer van hen vernomen.

De kennissenkring van de Prinsen bestond zoals gezegd vooral uit katholieke Duits Balten. Ze hadden goed contact met ene Von Thomberg, die met zijn gezin uit Kronstadt was gevlucht. Hij was houthandelaar zoals zo velen in Āgenkalns. Verder woonde er Archibald van der Stal (1888-1967). Hij was kanselier in het Nederlandse gezantschap in Rīga.1

De familie vierde ook wel vakantie in Asari, Ze logeerden dan dicht bij het station, zodat vader met de trein naar het werk kon. 's Ochtends kon men een uur naturistisch zwemmen. Er was een uur voor mannen en een uur voor vrouwen, daarna was het vrij voor families.Maar ook dan liepen een aantal in hun blootje en anderen in badpak. Volgens Resi was dit hetzelfde systeem als in Zweden. Het kon Resi niet zoveel schelen. Het strand was immers vrij uitgestrekt. Ze reisden ook wel eens met de trein naar Nederland. Na Litouwen reden ze dan door de Poolse corridor. Zodra de trein dit gebied in reed werd alles afgesloten. Zelfs de luiken gingen naar beneden. Vervolgens kwamen de Polen de passagiers controleren. Met een Nederlands paspoort kwam je daar goed vanaf, maar tegen de Duitsers deden ze bewust vervelend. In Berlijn bezochten ze het Kaufhaus des Westens dat veel indruk op de kinderen maakte. Kort voor de Tweede Wereldoorlog, in 1939, verhuisde de familie Prinsen naar een ander huis. Het huis had zogenaamde gasvrije kelders en dus oorlogsbestendig, althans…

Selma werd tot verdriet van de kinderen ontslagen. Het huis stond aan de Kapseļu iela 9, maar voor het gevoel van de kinderen ver van het andere huis af.

Ook dit huis bestaat nog, maar is nu sterk in verval en staat te koop en mag gesloopt worden. Het nu okerkleurige huis was gebouwd voor een Baltisch Duitse dominee en stond op een heuveltje. Wij woonden wederom op de bovenverdieping en dit huis was veel moderner en ruimer. De keuken en de badkamer waren luxe en groot. Op de benedenverdieping woonde de dvornik en zijn vrouw.

Het was een jong stel. De oorlogsdreiging was voelbaar en Nederlanders trokken meer en meer naar elkaar toe. Ook werd het contact met de Nederlandse gezantschap intensiever en we ontvingen, omdat we katholiek waren, regelmatig Jezuïeten. Pater Kolfschoten en pater Kleijntjes waren vaste gasten. Kleijntjes had het boek Van Goden en Helden geschreven. Hij gaf colleges op de universiteit van Rīga. Hij liep er altijd slordig bij en leende dan van Resi's vader een pak als hij weer les moest geven. Pater Kolfschoten was volgens de kinderen pietluttig. Jongens moesten volgens hem altijd lange kousen dragen en de meisjes de armen bedekt met lange mouwen. En dat terwijl iedereen in Letland na een lange winter naar de zon verlangde. Ook hoorde Resi hem altijd vermanend tegen haar ouders zeggen: 'Moeten jullie kinderen niet eens goed Nederlands leren?" Dat leerden Resi en Elli pas toen ze weer in Nederland waren. De Prinsen waren echter liberale katholieken en ze lazen de Rigasche Rundschau.2

In september 1939 vertrok hun moeder met Resi en Elli naar Nederland. Ze vertrokken met het zeeschip 'Regina' naar Stettin. Elli herinnert zich nog dat het schip werd geëscorteerd door twee Duitse oorlogsschepen. Vanuit Stettin ging het met de trein naar Berlijn en vandaar naar Nederland. Vader bleef eerst nog in Rīga en schreef dat de Russen op 17 juni Āgenkalns binnen marcheerden. In hetzelfde jaar reisde hij terug naar Nederland waar ze een woning in 's Hertogenbosch betrokken. En wonder boven wonder, zelfs de meubels uit Rīga kwamen in Brabant aan.

Noten
1 Hij was gehuwd met de Oostenrijkse Anny Domayer (1891-1976).
2 De Rigasche Rundschau was van 1894 tot 1939 een Duitstalige dagkrant in het Russische gouvernement Lijfland, en vanaf 1918 in Letland. De voorganger was de Zeitung für Stadt und Land (1867-1894). In het Russische Rijk werd het beschouwd als de belangrijkste liberale krant. Na 1919 werd het de bekendste krant van de Duitse minderheid in Noord-Europa. De Rigasche Rundschau bereikte zijn journalistieke hoogtepunt in de jaren dertig. De krant verscheen dagelijks, behalve op zondag, in Rijnlands formaat, met tien pagina's. De redactie en uitgeverij waren gevestigd in Rīga aan het Domplein. De publicatie van de krant eindigde met de hervestiging van de Baltische Duitsers in het Duitse Rijk.


Nederlands - Baltische - Vereniging
Alle rechten voorbehouden 2024
Mogelijk gemaakt door Webnode Cookies
Maak een gratis website. Deze website werd gemaakt met Webnode. Maak jouw eigen website vandaag nog gratis! Begin